Methode van inhoudsanalyse
De gehanteerde inhoudsanalyse bestaat uit een aantal stappen. Allereerst is op basis van de onderzochte literatuur en theorie een lijst van categorieën en kenmerken voor de inhoudsanalyse opgesteld. Met deze lijst is de beschrijving doorgelopen, geïnterpreteerd en gecodeerd op deze categorieën en zijn deze toegevoegd aan de beschrijving .
Een verdere inhoudsanalyse vond daarna plaats door de coderingen na te lopen op het herkennen van clusters en patronen en deze zo mogelijk aan te vullen met een waardering van positief (+), negatief (-) of neutraal. Vervolgens is aan elk clusters een korte omschrijving meegegeven, die in de kenmerken of het patroon weergeven dat het beste past bij de coderingen uit de inhoudsanalyse .
Met de gevolgde methode van inhoudsanalyse zijn in het totaal 22 clusters gecodeerd en geanalyseerd. Elke cluster bevatte een aantal kenmerkende aspecten, zoals deze zijn gevonden in de literatuur.
Deze 22 clusters zijn vervolgens in een tabel met twee dimensies geplaatst. De ene dimensie staat voor de onafhankelijke variabelen van beleid, de synoptisch-rationele benadering en de procesmatige benadering en de andere dimensie uit de waardering (voor het resultaat of het proces) in positief, neutraal, negatief (afhankelijke variabele). De volgende tabel ( ) geeft de resultaten voor deze rubricering op deze dimensies weer. Een analyse van deze tabel levert inzichten op in bepaalde herkenbare patronen.
Inzichten vanuit de inhoudsanalyse
Uit de descriptieve beschrijving van de open interviews en de uitgevoerde inhoudsanalyse zijn de volgende inzichten te destilleren:
- Sterke landelijke beleidsdogma’s, beleidstegenstellingen en verschuivingen daarin leiden op een regionaal niveau meestal tot sterke belemmeringen in de uitvoering en tot oncontroleerbare effecten in de tijd
- Er zijn over de periode van 25 jaar een aantal duidelijke vaste beleidstelingen, tegenstellingen (paradoxen) en verschuivingen waar te nemen die op landelijk niveau, maar zeker ook op lokaal/regionaal niveau de daadkracht en slagkracht van de implementatie sterk belemmeren en hebben gehinderd. Vooral het aspect van de lange tijd, die daarmee gepaard gaat, geeft onvoorspelbare en oncontroleerbare effecten, die verlammend uitwerken op de regio. Enkele van deze beleidsstellingen en tegenstellingen zijn, bijvoorbeeld:
- De opgelegde regionalisering van de brandweer
- De benoeming van de RGF als verantwoordelijk voor de geneeskundige kolom en zijn positie
- De verantwoordelijkheidstoedeling tussen BZK en VWS in de geneeskundige rampenbestrijding en de verschuiving van VWS naar het dogma van eigen verantwoordelijkheid van zorginstelling voor opgeschaalde zorg.
- Rationeel beleid en een synoptisch – rationeel geplande aanpak vanuit de overheid roept vaak lokaal/regionaal een weerstand op en krijgt meestal een procesmatige, ruimere uitvoering en meervoudige invulling van het gewenste beleid.
- Het uitdragen van rationeel beleid en een synoptisch - rationele benadering door de centrale overheid roept in de regio op lokale/regionale uitvoering bestuurlijk vaak direct een weerstand op en bijna altijd de wens en noodzaak om ruimte voor een meer procesmatige benadering en invulling. Dit omdat er in de regio altijd sprake is van een veld van veel actoren en partijen met eigen verantwoordelijkheden, andere perspectieven, eigen kernwaarden etc. Toch vindt er in een aantal gevallen ook een redelijke positieve modus/interactie plaats van een rationele en procesmatige uitvoering. Deze tendens leidt ertoe dat in feite overheidsbeleid regionaal bijna altijd in de uitvoering op een meervoudige ruimere wijze wordt geïnterpreteerd.
- Een meer procesmatige aanpak en uitvoering van implementatie wordt in het algemeen positief gewaardeerd.
- Indien in de regio een procesmatige invulling van de implementatie van de rampen- en crisisbestrijding ter hand kan worden genomen of wordt afgedwongen is in het algemeen de uitkomst naar tevredenheid van partijen en hebben ze daar een goed gevoel over. Die waardering wordt er dan vooral aan gegeven vanwege de ruimte om rekening te houden met de procesfactoren, voor bepaalde strategieën en het laten verlopen als een proces van ontwikkeling en interactie (evolutionair), etc.
- Een minder positieve waardering van effect en uitkomst van een procesmatige benadering op regionaal niveau correleert sterk met de minder positieve beleving van kernwaarden/belangen van de regionale/lokale actoren en partijen en met het effect van veranderingen in de tijd.
- Bij het retrospectief rationaliseren van een overwegend procesmatige benadering van de implementatie van de rampen- en crisisbestrijding in de regio worden soms de bereikte resultaten als minder positief gewaardeerd. Bereikte resultaten blijken niet duurzaam in de tijd te zijn en vervagen door wisseling van partijen en belangen. Vaak lijkt daarbij ook een gevoel aan de orde te zijn van een disbalans in de krachten tussen actoren en/of van gebrek aan voldoende visie, doorzettingsmacht en controle van overheid/bestuur.
- Er is in het algemeen een sterke directe relatie tussen het (overheids)beleid en de definiëring/beleving daarvan in rationeel beleid en een synoptisch - rationele aanpak. Ook in de regio Zuid-Holland Zuid worden de landelijk bekende beleidsdogma’s en beleidstegenstellingen op dit terrein als belemmerend ervaren voor het resultaat van de implementatie.
- Een synoptisch - rationele aanpak vanuit de overheid roept snel een bepaalde (bestuurlijke) weerstand op. De uitvoering van beleid vindt regionaal daarom vaak plaats in een bepaalde procesmatige aanpak, die beter bij de regio past. Het effect van deze benadering is dat daarmee het overheidsbeleid vanuit de regio meervoudig wordt geïnterpreteerd.
- In de regio Zuid-Holland Zuid is de beleving van een procesmatige aanpak altijd sterk dominant aanwezig. Het resultaat daarvan is in de waardering algemeen positief.
- In de minder positieve waardering voor de bereikte resultaten van de procesmatige aanpak worden vaak de dominantie van actoren en het gebrek aan duidelijkheid, sturing en controle vanuit de overheid verklarende factoren genoemd.